Totaal verloren

Ik nam de trein een half uur te vroeg. Slechts vijf minuten verwijderd van mijn tussenstop, het station in de stad. Mijn hart bonkte in mijn keel, maar ik zat er bewegingsloos bij. Ik staarde naar de verkleurende lucht, de overgang van nacht naar dag.

We zijn er. De trein mindert vaart en komt niet veel later met een schokje tot stilstand. De deur gaat open en de ruimte waarin we samen waren stroomt leeg. Ieder voor zich vervolgen we onze weg. Waar naartoe? Ik ben onderweg naar school of zou dat moeten zijn. Ik weet dat ik er niet zal komen vandaag. Ik loop de trap af en een paar meter verder de trap weer op. Nu bevind ik me op het juiste perron, maar ik zal zo niet de trein in stappen.

Ik loop de wachtruimte binnen, waar het stinkt naar verspilde tijd. Ik ga zitten op een niet al te fris stoeltje en pak een boek uit mijn tas. Om me heen heerst bedrijvigheid. Iedereen hier is er met een reden. Een doel, een bestemming, toch op zijn minst een richting om te gaan. Ik hoor een fluitsignaal. De trein waar ik in zou moeten zitten vertrekt met slechts iets meer dan twee minuten vertraging.

De seconden tikken stroperig weg. Het is een komen en gaan van mensen. De ochtendspits in september draagt belofte in zich. Ik kijk ernaar en voel een onoverbrugbare afstand. Voor mij geen toekomst vandaag.

Er rest mij niks dan me te verschuilen tussen de woorden in mijn boek. Op te gaan in zinnen, terwijl mijn schoolvriendinnen net buiten schootsafstand de laatste roddels uitwisselen, zich onbewust van mijn aanwezigheid. Kijkt één van hen om, dan ben ik betrapt. Of kijken ze dwars door me heen, als door de vuile glazen wand van deze ruimte? Waar wacht ik eigenlijk op? Het is riskant om hier te blijven zitten, maar ik verroer me niet. Zo zit ik nog uren.

Dan komt toch het moment dat ik de wachtruimte verlaat. Zonder op of om te kijken loop ik de trap weer af. Vervuld van schaamte neem ik de uitgang Centrum. Ondanks de stijfheid in mijn spieren wandel ik zo vlot mogelijk naar de bibliotheek. Ik wil niet dat iemand me ziet. Zonder kleerscheuren bereik ik het voormalig klooster, dat nu tot de nok toe is gevuld met boeken. Ergens boven, in een nis, vind ik een plekje. De opluchting dat ik veilig ben maakt plaats voor leegte en de stilte die net nog zo welkom was, is drukkend geworden.

Om de tijd te doden blader ik door een aantal theaterboeken. Ik vlucht in verhalen tot ze eindigen of ik mijn aandacht er niet meer bij kan houden. Steeds vaker dwaal ik af en zwerf ik rond in fantasieën die werkelijkheid hadden kunnen zijn als ik me niet had verstopt tussen boekenkasten in de verkeerde stad. Ik denk aan mijn klasgenoot. Hoe hij met verve de rol van arme, arme student op zich neemt om geld te bietsen. Aan de grijns op zijn gezicht als hij met een handvol kleingeld naar me toe komt gesneld. “Saucijzenbroodje? Je moet wel goed eten meid, anders ga je nog van je stokkie.” Eten. Ik vraag me af of ik misselijk ben of honger heb. Ik check de inhoud van mijn tas op iets eetbaars. De beschimmelde boterhammen die ik vind reken ik daar niet toe. Ik laat mijn adem ontsnappen als ik een mentale aantekening maak dat ik die boterhammen zo snel mogelijk moet lozen. Ach, ik hoef ook niet te eten.

Halverwege de middag neem ik de gok naar huis te gaan.   Met neergeslagen blik loop ik dezelfde route terug naar het station. In de tuin van het klooster word ik staande gehouden door een vrouw met asblond, sluik haar. “Gaat het wel? Je kijkt zo triest…” Ik mompel iets onverstaanbaars en stap stevig door. Ik vergeet helemaal mijn bammetjes weg te mieteren.

Bijna thuis. Ik worstel met het slot van de voordeur. Alle kracht vloeit uit me weg als ik de deur achter me dichttrek en ineen zak op de koele tegels in de hal. Het studentenleven. Morgen weer?

Getagd met , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*